Postcodeloterij
Heb ik eindelijk twee jaar geleden – bij mijn verhuizing – de postcodeloterij opgezegd, begin ik toch weer te twijfelen. Eerst las ik deze week al hoeveel geld de BankGiroloterij aan culturele doelen gaf, en was flink onder de indruk. Hoewel ook mijn ouders samen met andere ‘ouderen’ bij tijd en wijlen in gratis museumbussen worden geladen om vanuit de Achterhoek musea in Amsterdam te bezoeken. Heel gezellig natuurlijk, maar ze kunnen het ook zelf betalen als ze zouden willen, kies dan een bus kinderen uit een achterstandswijk. Maar toch, geweldig dat dit geld voor cultuur bij elkaar gebracht wordt door mee te doen met een rekeningnummer bij een (veelal ook nog) foute bank.
Sinds gisteren lees ik ook juichende berichten van Amnesty en Oxfam Novib over het geld dat zij via de Postcodeloterij hebben binnengehaald met voorstellen voor prachtige en vernieuwende projecten. Geweldig nieuws dus! En daar draag ik niets meer aan bij, want ik had dus na tig jaren meedoen besloten dat dit huis groot genoeg is, ik geen miljoen hoef te winnen, ik geen verliezer wil zijn terwijl ik niet eens meedoe, en ik vooral niet zo’n lullige ijsprijs bij de supermarkt om de hoek wil ophalen. Nu blijk ik daar dus niet alleen mezelf mee te hebben maar ook een dorpsbewoner in Uganda die graag het internet op wil, om maar iemand te noemen. Wordt het toch weer een lastig moreel dilemma, terwijl ik hard probeerde onder het motto ‘genoeg is genoeg’ niet meer mee te doen aan loterijen en gewoon blij te zijn met wat ik heb; me geestelijk te wapenen tegen een toekomst waarin de halve straat staat te juichen en ik bij de verliezers hoor.
Zouden Henk en (andere) Ingrid trouwens wel weten dat hun geld naar cultuur, mensenrechten en ontwikkelingshulp gaat, vraag je je dan af. Of maakt dat niet uit zolang je kunt blijven dromen over die miljoenen die je hoogstwaarschijnlijk nooit gaat winnen maar die je helemaal hebt verdiend met je mooie postcode of bankrekening.
Al lang niet meer een boek zo snel uitgelezen als De tijgervrouw van Galina van Téa Obreht. Wat een talent en wat een fantasie. En dan was Téa pas 26 toen ze dit boek schreef, ongelooflijk. Een terechte winnaar van de Orange Prize 2011. Het verhaal speelt zich af in het voormalig Joegoslavië, zowel in heden als in verleden, en het begint als de jonge vrouw Natalia naar een afgelegen dorp reist om in een weeshuis kinderen in te enten. Onderweg hoort ze dat haar grootvader is overleden in een onbekend dorp, niemand weet wat hij daar te zoeken had. Herinneringen aan de verhalen van haar grootvader komen naar boven en vormen een groot deel van dit boek, het meest kleurrijke en meeslepende deel in feite.